We streven er naar
dat iedereen lekker
in zijn vel zit.

Artikelen

Het prostitutievraagstuk: de uitgesproken mening van Chanfleury van IJsselstein (2021-10)

Artikel in PDF
W.R. Faber

In 1889 mengt Chanfleury van IJsselstein zich in de discussie over de prostitutie die in die tijd de gemoederen bezighield, in bijgaand artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Na zijn vertrek bij de Universiteit van Amsterdam in 1881 leidde hij een teruggetrokken leven en nam nergens professioneel meer aan deel. Maar kennelijk voelde hij zich geroepen om zijn visie op het prostitutievraagstuk te publiceren.

Dat het prostitutievraagstuk in de belangstelling stond, bewijst het aantal van 24.000 geschriften in de 19e eeuw die hieraan zijn gewijd [1] alsmede de ongeveer 150 bijdragen tussen 1880 en 1900 in het NTvG. [2] Reeds sinds de Middeleeuwen en in de Napoleontische tijd neergelegd in wetgeving, bestond het systeem van reglementering hetgeen betekende medische keuring van publieke vrouwen, al dan niet onder politietoezicht, en gedwongen behandeling bij ziekteverschijnselen. Een bezwaar hiertegen was dat vrouwen zich hieraan trachtten te onttrekken, wat tot meer clandestiene prostitutie leidde. Rond 1870 ontstond een beweging tegen reglementering: niet straffen maar helpen. Later ontstond een beweging die de prostitutie als maatschappelijk probleem zag en wilde bestrijden door middel van het verbod op bordelen, het stoppen met reglementering en de invoering van medisch toezicht. Deze beweging, het absolutisme, stuitte op verzet van medici: er zijn te veel lijders aan geslachtsziekten. 

Vooral tussen 1880 en 1900 was er een heftige strijd gaande tussen reglementaristen die hun mening vormden op medische overwegingen, vooral artsen, en absolutionisten die steunden op morele overtuiging, met name geen medici. In vergaderingen van de Nederlandsche Vereeniging van Dermatologen werd dit onderwerp ook besproken maar men kwam niet tot een duidelijk oordeel.

De eerste professionele vermelding van Chanfleury is in 1844 in de Statistiek der geneeskunstbeoefenaren in de provincie Zuid-Holland, waar hij vermeld staat als Stads-doctor of Stadschirurgijn te ‘s Gravenhage. In zijn Haagse periode heeft hij ook de bekende venereoloog Philipe Ricord in Parijs bezocht; het is onbekend hoe lang hij er verbleef. Op de terugweg bezocht hij ook Brussel; in beide plaatsen liet hij zich over de visitatie van publieke vrouwen voorlichten.

In 1857 werd hij als “Geneeskundig controleur ten gevolge der verordening nopens de publieke vrouwen door B en W voorgesteld”. Waarna hij een jaar later alweer ontslag aanvroeg daar volgens hem de gewenste resultaten niet behaald werden. Het is duidelijk dat deze ervaringen zijn standpunt in de discussie over de prostitutie hebben bepaald.

Hij leidt zijn artikel als volgt in “De prostitutie heeft men aan een geneeskundig toezicht onderworpen om de verspreiding der venerische ziekten tegen te gaan. Men zocht de infectie in hare brandpunten op, trachtte de geïnfecteerden af te zonderen en onschadelijk te maken, om zodoende de maatschappij te kunnen vrijwaren van, of minder onderhevig te maken aan die ziekten welke volgens de geijkte ondervinding zulke groote stoornissen te weeg brengen, ook onder personen, die volstrekt niet geacht kunnen worden een verdiende straf voor hun misdragingen te krijgen, maar onschuldig vaak de schuld van anderen boeten”.

Hij vindt deze visitaties een lofwaardig doel. Uit geneeskundig oogpunt gaat het in de eerste plaats om de resultaten van visitatie van publieke vrouwen. Zo zullen dus de primaire en secundaire stadia, met name de condylomateuse verschijnselen van syfilis “door verwijdering van deze publieke vrouwen onschadelijk gemaakt moeten worden”. En niet alleen syfilis maar ook de blennorhagieën kunnen tot late, en vaak moeilijk te herkennen, complicaties leiden.

Maar hij geeft aan dat “eene goede visitatie een zeer omslachtig werk is, maar ook vrij wat practische ondervinding vordert”. “Eene dagelijkse visitatie zoude zeker niet te veel zijn”. Kritisch betoonde hij zich over de wijze van onderzoek van de publieke vrouwen zowel wat betreft de uitvoering van het onderzoek als de professionele houding van de medici die hij in Parijs en Brussel waarnam. Het onderzoek gebeurde met “verwonderlijke oppervlakkigheid“ en “scheen mij de waardige houding van de geneesheer te wenschen over te laten”. Toen hij in Den Haag aan de slag ging, bezocht hij in volle overtuiging van een belangrijke hygiënische taak onaangekondigd de publieke huizen en onderwierp de vrouwen aan een volledig lichamelijk onderzoek.

Hij legt uit dat op grond van zijn ervaring bij dit nauwgezette onderzoek twee derde van de prostituees afgekeurd werd, terwijl het resultaat van het onderzoek van de resterende een derde niet volkomen te vertrouwen was. Visitatie geeft geen zekerheid over een mogelijke besmetting, en bovendien nam als gevolg van visitatie het prostitueebezoek zelfs toe. Ook het vinden van artsen “met een hoog intellectueel en moreel standpunt” en van geschikt personeel, en de hoge kosten van het verlies van inkomsten van de visiteurs waren bezwaarlijk. Tevens leidde het tot anonieme bedreigingen waardoor hij onder politiebescherming naar de avondvisite in het ziekenhuis moest gaan. Zijn conclusie was dan ook dat het een stelsel met vele nadelen en dubieuze voordelen was en dat “eene volkomen vertrouwde publieke prostitutie onbestaanbaar is”. Hij adviseerde daarom afschaffing van geneeskundig toezicht en streng verbod van de prostitutie maar wel ruime hulp te bieden aan alle lijders aan venerische ziekten. Ook ondernam hij nog een reis naar Genève waar hij ook zijn zienswijze naar voren bracht in een voordracht gehouden op het ‘International Abolitionist Federation International Congress’, in september 1889. En dit is ook neergelegd in een Franse publicatie getiteld La visite des prostituées au point de vue de l’hygiène publique.

Literatuur 

1. Volmuller HWJ. Het oudste beroep. Oosthoek, Utrecht 1966.
2. Prakken RJ. Hygiënisten en moralisten bij de geslachtsziektenbestrijding in de 19e eeuw. Ned Tijdschr Geneeskd. 1973;117:1042-9.

Correspondentieadres 

William Faber
E-mail: faber.aalders@hccnet.nl